Dagboekfragmenten
Donderdag 1 februari
Om 6 uur op wacht. Het vriest dat het kraakt, dat het niet leuk meer is. De bootverbinding loopt gevaar. Er is reeds uitgemaakt dat Poolman met v/d Meer op verlof zullen gaan, edoch het wordt bedenkelijk. Schuit is alleen van verlof terug gekomen, de anderen hebben natuurlijk per trein zoo gauw Harlingen niet kunnen bereiken daar de a.t.v. niet over den afsluitdijk gaat vanwege de geweldige sneeuwval of liever gezegd sneeuwstuif. Enfin, afwachten maar.
Vrijdag 2 februari
Poolman en v/d Meer waren vertrokken, doch keerden terug daar den boot niet voer. Doch Poolman zijn rechteroor was bevroren, dat was dus allesbehalve prettig voor hem. Enfin, de dag ging verder als altijd, normaal. Vriezen dat het kraakt. Van Leeuwen is naar Hoorn bij Marretje op bezoek geweest. Doch, door de gladheid werd het nogal laat. Sorry, dat was 's middags geweest, enfin. Wij hadden de wacht, ofwel deze had ons weer eens te grazen. Dus 12 uur voor ons, TAPTOE. Doch 's avonds belt postkantoor Hoorn ons op en gaf de inhoud door van een telegram voor IJsema, dat hij per 1e gelegenheid naar Mokum moest, daar zijn mama geopereerd wordt. Edoch, Coolhaas had hem reeds verwittigd.
Zaterdag 3 februari
6 uur reveille. 's Middags spraken Poolman , Karels en ik af om een bezoek aan een café te gaan brengen. Ik wilde wat boodschappen gaan doen, doch gezien de gladheid leek het niet doenlijk, dus ging ik met Poolman, Kock en Merlendijk en De Kok op pad naar den Infanterie onze "buurman". Ik was daar nog nooit geweest, het was er gezellig, doch ietwat smerig. De één zat te lezen, daar zaten wat te kaarten. Een grammofoon piepte en kraste dat het een aard had, liefdevol verzorgd door Roos, een soldaat, "oh Japie is getrouwd", wat uit vollen borst werd meegezongen. Men schoot mij direct aan en informeerde hoe ik gevaren was tijdens den elfstedentocht, dus gaf ik verslag. Wij vingen aan met een biertje. Om 8 uur speelde ik een partijtje biljart met Karels en verder zuipen geblazen. Poolman bewerkte den piano, begeleid door sergeant "Job" ofwel Wesseling. Ik probeerde ook mijn krachten even op z'n mandoline en vond zoowaar onthaal. Het begon al op te schieten!! Om half 12 stapten we op in zeer vroolijken stemming.
Zondag 4 februari
Den boot zal het steeds weer probeeren, doch nihil. Een blocnote bericht van Koolhaas dat er niemand met verlof gaat, ondanks eventuele verbindingen maakte aan allen twijfel een einde. Wij ontvangen echter geen post ook natuurlijk, enfin 't will change quickly.
Maandag 5 februari
6 uur. Present. Het vriezen houdt nog aan, alhoewel minder fel, doch nu regent het af en toe. Het terrein rond den barak is spekglad en tevens natuurlijk absoluut geen kans om weg te kunnen. Enfin, schik je maar. Op "West" is reeds een noodvliegveld aangelegd, daar wij nu geheel geïsoleerd zijn. Er is wel reeds weerverandering te constateren. Het regent af en toe, aan den wal dooit het. Om 6 uur vrijaf en zoo zit ik nu te schrijven. Den persberichten geven hooguit kennis van het aftreden en bedanken als opperbevelhebber van Generaal Reijndam. Nu krijgen we Generaal Winkelman. Wil weg! Wat ik verder zal doen? Mijn plan wàs weg te gaan om enkele inkoopen te doen, doch gezien den wegtoestand is het nog steeds onmogelijk.
Dinsdag 6 februari
18 uur! Aantreden! Het dooit als de hel. Zéér goed. Doch, mist, mist en nog eens mist. Dus geen postboot die vaart. Enfin, ééns sal het er toch wel van komen. Om 3 uur dook ik mijn kooi in en 6 uur present voor de avondwacht. 12 uur kooi toe, dat is al. Ik richtte nog een schrijven aan adjudant Reppel en Schuit inzake Mulder en brief.
Woensdag 7 februari
6 uur! Wacht. Beneden gekomen ontbeet ik, doch pakte de sleutels van den Kok, zonder één of andere bedoeling en sloot den kast open. Had ik geweeten wat een consternatie het zou veroorzaken, had ik me 100 x bedacht. Enfin, de Kok stond op z'n strot en er werd zoo'n kabaal gemaakt dat ik, stomme donder, zweeg en glashard "van niets wist", echter vóór dat ik het zelf wist, enfin. Dat liep natuurlijk spaak. Doch, eens er mee beginnen, is het idioot, doch dan kom je er niet toe om toe te geven. Stom genoeg, want wàt heeft het per saldo om 't lijf. Ik kon mijzelf dan ook wel voor kop slaan, doch vreemd genoeg bleef ik koppig volhouden. Dat was uitzoeken en Rappes wilde Coolhaas opbellen, Zulte had er ook mee te maken daar hij beweerde dat ik "dat en dat" tegen hem gezegd had. Hoe het ook zij, 's middags kwam ik los, doch te laat, d.w.z. alles bleef zoo. Doch door een luizen streek haal ik mij het wantrouwen op den hals. Eigen schuld en zéér logisch, doch geenszins prettig. Enfin, dat komt ervan als je stommiteiten uithaalt. Zoo zie ík het. De anderen vormen zich een eigen mening, natuurlijk. Enfin, niemand, dan mijzelf, kwalijk te nemen. In een verkeerd licht, daarin sta ik nu, al is het morgen waarschijnlijk alles weer gewoon. Doch gezien er op raadselachtige wijze een slot verdween en weer op zijn plaats kwam; 10 patronen eveneens spoorloos verdwenen, boeken enz. Waar dat mormel nog even op speculeerde, eigenlijk niet kwalijk te nemen, krijg ik dat misschien ook op mijn dak. Zeggen, doen ze niets, maar wàt denken ze? Hoe het zij, zij het. Ik zal mij wel wachten nog meer dergelijke stommiteiten uit te halen. Hier is het voor mij verpest en practisch onmogelijk. Zulte bood ik mijn excuus aan. Enfin, het blijft mij dwars zitten. Een kleinigheid, zoo ziet men, gepleegd zonder na te denken brengt je in groote verlegenheid. Van nu af aan houd ik mijn mond níet meer dicht, dat staat vast. Den avond vrij. Den boot is 's middags uitgevaren, doch teruggekeerd. Morgen weer proberen. Afwachten. Ik ga aanstonds naar kooi. |