Een jaar na mijn vader zijn overlijden, vond mijn moeder dat het tijd werd om eens wat orde te scheppen in het papierwerk van mijn vader.
Daardoor kwam ik "op het spoor" van mijn onbekende oom en de Leeuwengarde. Dagboekschriften, brieven, foto's…mijn vader had alles bewaard. Door te zoeken op internet, kwam ik er achter dat oom Flip onder andere in Kamp Amersfoort gevangen gezeten had.En zo zette ik mijn zoektocht voort. In één van oom Flip zijn "dagboeken", lees ik in augustus 1940, dat er
weer verschillende plaatsen in Nederland gebombardeerd zijn. In september 1940 schrijft oom
Flip in een melancholieke bui, dat het voor hem onomstotelijk vaststaat, dat hij eens "naam"
zal maken, beroemd, berucht en geëerd zal worden. Hij vraagt zich af of dit een fantasie
is? Zijn het luchtkastelen misschien? Op dat moment is hij er heilig van overtuigd dat dat
niet zo is. Dat hij een missie heeft. Hij weet en voelt dat hij "anders" is dan anderen.
Hij voelt zich een leider. "Eens zal de wereld van je spreken." Oom Flip hoopte eens de kans
te krijgen een Garde te formeren. Al als 16 jarige (of jonger) had hij de vaste overtuiging
eens "naam" te zullen maken, als militair. Een Garde moest verrijzen, een corps gelijk aan dat der Mariniers. Een corps waaruit later de officieren naar voren zullen komen. Zijn devies zou zijn: "trouw aan Oranje", "trouw aan de Garde". Oprecht en onbaatzuchtig dienen tot heil van volk, vorst en vaderland.
Het illegale blad Vrij Nederland, inspireerde oom Flip tot het organiseren van een para-militaire verzetsgroep. Hij gaf deze groep de luisterrijke naam: Nederlandsche Oranje Vrijschaar de "Leeuwengarde". Oom Flip had voor de Leeuwengarde een militaire opbouw ontworpen, met zichzelf als "Algemeen Militair Commandant" aan het hoofd. De Leeuwengarde moest georganiseerd worden in bataljons, vendels c.q.districten, corpsen en brigades, onder commando van respectievelijk bataljonschefs, vendel- c.q. districtscommandanten, majoor-corpsvoerders en brigadiers. De vendels c.q. districten moesten elk bestaan uit 5 corpsen, onderverdeeld in
elk 4 brigades van elk 12 Gardisten; de majoor-corpsvoerders wezen ieder de 4 mannen aan die de brigades moesten samenstellen, waarover zij dan als brigadier de leiding zouden krijgen. Verder werd bepaald dat uit elk vendel c.q. district een kernploeg van ca. 50 man geselecteerd moest worden, "storm-sectie" genaamd. Deze "storm-sectie" zou een bijzondere taak te vervullen hebben en moest daartoe steeds beschikbaar zijn. Uit deze "sectie" moest vervolgens een "Bijzondere Geheime Dienst (B.G.D.)" worden samengesteld, bestaande uit maximaal 15 man die opsporingswerk moesten verrichten, alsmede alle werkzaamheden in verband met den dagelijkschen dienst. Alle andere leden (buiten de leden der B.G.D.) dienden tot nader order non-actief te blijven, maar hadden wel de plicht, waar mogelijk, Gardisten te werven.
Om leden te werven voor zijn verzetsgroep, vervaardigde oom Flip in november 1940, 200 wervingspamfletten die hij verspreidde onder vrienden en kennissen. Het opschrift luidde: Hoofdkwartier der Nederlandsche Oranje Vrijschaar de "Leeuwengarde". "Wie de moed heeft, volge mij!". Hierna werd de doelstelling van "zijn" organisatie uiteengezet. In de eerste plaats: steun aan een Engelsche invasie in Nederland in de bereidheid vaderland en volk gewapenderhand vrij te vechten. En vervolgens "de volledige vernietiging en uitroeiïng van het nazisme en van de N.S.B.-ers, zodra de bezetter door de Engelschen bloedig teruggeslagen is". Het was de taak der Leeuwengardisten de bezetter met alle middelen te bestrijden, in het bijzonder met sabotage en spionage. De activiteiten van de Leeuwengarde werden georganiseerd in vier groepen: 1) het aanleggen van persoonslijsten voor "de dag der wrake" en het verspreiden van vlugschriften en geruchten. 2) de vervaardiging van vlugschriften. 3) het werven van "Gardisten" en het vergaren van spionagemateriaal. 4) het bijeen brengen van wapens.
Over heel Nederland moest de Leeuwengarde zijn leden krijgen, waarbij voormalige militairen en politiemensen de voorkeur genoten. In zijn dagboek werkte oom Flip alvast het actiepunt sabotage" uit. Ortskommandanturen, munitie-opslagplaatsen en militaire hospitalen moesten worden aangevallen en telefoonleidingen moesten worden vernield. Op papier grote plannen. Eén van de eersten die toetraden tot de Leeuwengarde was Andries Stemerding (1921-1942). De beide mannen kenden elkaar al van voor de oorlog, mogelijk uit de Marinekustwacht. Andries Stemerding werd benoemd tot "bataljonschef" van Rotterdam, een functie die hij vervulde tot mei 1941. Stemerding wierf zo'n 10 à 20 leden.
En zo kwam eind 1940 De Leeuwengarde tot stand in Rotterdam en Overschie (een randgemeente die in augustus 1941 aan Rotterdam werd toegevoegd). In het voorjaar van 1941 traden toe tot de Leeuwengarde, Gerrit van As (1902-1942) uit Overschie en zijn broer Pieter van As (1899-1942) uit Rotterdam. Gerrit van As volgde al in mei 1941 Stemerding op als "bataljonschef" van Rotterdam en Overschie. Onder zijn leiding nam het aantal Leeuwengardisten toe (in de periode voorjaar tot en met najaar 1941). Pieter van As had (met hulp van anderen) zelf vanaf het najaar van 1940 een verzetsgroep opgericht. Deze groep trad eveneens tot de Leeuwengarde toe. Naast de Rotterdamse en Overschiese afdeling ontstond in september 1942 ook een afdeling in Arnhem, geleid door een kennis van Stemerding F.M. van den Acker (1917-1942). Aanvankelijk had Van den Acker vrijwillig als schipper in Duitsland gewerkt. In augustus 1941 hielp Stemerding hem in Nederland aan een baan en als tegenprestatie richtte Van den Acker een afdeling van de Leeuwengarde op in Arnhem. Van den Acker stond via Stemerding en G. van As in contact met "commandeur" Masselman van de Leeuwengarde. Stemerding en G. van As waren de enigen die persoonlijk contact hadden met oom Flip. De overige gardisten kenden "Commandeur Ph.W.M." alleen schriftelijk als hun leider. De Leeuwengarde was voornamelijk een Rotterdamse organisatie en in mindere mate een Arnhemse. In totaal had De Leeuwengarde hooguit ongeveer 100 leden. |
 |
©Elisa |
 |